1.
Kuisen van de fiets en de fietsonderdelen :
*
Een niet te vuile fiets kan droog worden gereinigd :
Hiertoe
gebruik je een zachte doek om zoveel als mogelijk het vuil
te verwijderen (eventueel een borstel of geperste lucht om
de ketting extra te reinigen).
*
Een natte en zeer vuile fiets wordt als volgt aangepakt :
Zand,
stof en slijk worden met (regen)water (op leidingdruk)
afgespoeld. Een (lauw) sopje en een borstel kunnen helpen om
hardnekkiger vuil te verwijderen. Open je remmen om zo beter
bij de remblokjes te kunnen komen.
De
ketting kan met ontvetter (lees Dreft of iets degelijks) en
evt. warm water worden gereinigd. Men dient op te letten dat
het vet welke in de achterwiellagering alsook in de
trapaslagering zit niet wordt uitgewassen. Zet je fiets
daarom mooi recht of zelfs iets schuin zodat het zeepsop
niet via de tandwielcassette in de achterwiellagering kan
sijpelen.
Het
op deze manier reinigen van de ketting lukt wel indien ze
werd gesmeerd met een middel dat er relatief gemakkelijk
terug afgewassen kan worden.
Persoonlijk
gebruik ik MOTOREX chainlube 622 Fully Synthetic. Dit middel
dringt bij het aanbrengen voldoende tussen de schakels en
ringetjes, wordt niet zomaar door water slijk of zand
weggespoeld en kan met gewone (lichte) ontvetter terug
worden uitgewassen.
Wanneer
de ketting kan worden geopend dmv een slotje (bvb.
SRAM-kettingen) dan kan je, indien echt nodig, de (zéér
vuile) ketting met benzine en een borstel reinigen. Op deze
wijze komt de ketting helemaal “droog’ te staan zodat
zeer goed smeren nadien aangewezen is om snelle slijtage te
vermijden.
Gans
m’n fiets spoel ik af met regenwater (laat geen resten na)
op leidingdruk.
Daarna
wordt de fiets gedroogd (oude handdoek of katoenen doeken).
Uitblazen van de ketting met geperste lucht lijkt mij geen
slecht idee. Het zand, welke door de ontvetter losgeweekt
werd, wordt zo van tussen de schakels en de rolletjes
geblazen en de ketting komt ook perfect droog te staan.
Persoonlijk
laat ik m’n fiets verder (uit)drogen vooraleer ik verderga
met het onderhoud (dag nadien).
Het
kader dient inwendig uit te drogen. Dit doe je als volgt :
Merk,
b.m.v. plaklint of stift de plaatsing van de zadelpen in de
staande buis.
Haal
het zadel, samen met de zadelpen uit het kader wanneer je de
fiets niet direct nodig hebt of wanneer je ze met water hebt
gekuist. Zo kan het kader uitdrogen en wordt inwendige
corrosie van het kader tegengegaan.
Reinig
de zadelbuis (=staande buis) van het kader inwendig,
vooraleer je begint met het terug aanbrengen van zadel en
zadelpen. Vet de metalen zadelpen in vooraleer ze in de
staande buis te schuiven.
2.
Wat heeft men veelal nodig bij eenvoudig onderhoud :
*
Een 4-tal inbussleutels (umbraco’s) : 4,5,6 en 8 mm. van
goede kwaliteit. Zo voorkomt men
beschadiging van bout en/of
sleutel.
*
Vodden
*
Een pot waterbestendig vet.
*
Een spuitbus fijne (waterbestendige) smeerolie (vb.: WD40,
teflonolie, …)
*
Een spuitbus kettingsmeermiddel
3.
Algemeenheden bij fietsonderhoud :
Controleer
regelmatig of alle vijzen en bouten nog goed vastzitten.
Alles
wat losgeschroefd of gedemonteerd wordt dient opgekuist en
ingevet te worden vooraleer men het terug (vast)zet. Let er
echter op dat je de boutjes of vijsjes niet overdraaid (= de
schroefdraad wordt geschonden door het té hard aanspannen)
of de kop af wringt bij het terug monteren.
Let
er eveneens op dat er juist achter de bout- of vijskopjes
ook wat vet wordt aangebracht. Zo kan men de bouten en
vijzen niet alleen vaster aanspannen (=minder vlug
loskomen), maar wordt ook het knarsen of kraken van de fiets
tegengegaan.
Ook
het kader kan de oorzaak zijn van het krakende geluid. Dit
komt doordat in de verbinding tussen de staande buis en de
schuine buis (= juist boven de trapas) er een stukje niet
kan vastgelast worden. Bij belasting van het kader kan het
dus zijn dat beide buizen t.o.v. elkaar bewegen (lees
wrijven) en dat daar de oorzaak van het knarsen ligt.
Oplossing
: een kleine hoeveelheid dikke olie (motorolie) in de
staande buis laten vloeien. De olie zal zich tussen de
wrijvende onderdelen nestelen en zo het knarsen wegwerken.
4.
Onderhoud van de kabels + smeren van de ketting :
Het
is van zéér groot belang dat je eerst de kabels van
je fiets een beurt geeft vooraleer je begint te regelen aan
remmen of versnellingen. Regelen met vastzittende kabels
heeft immers geen zin.
Om
de kabels te smeren los je eerst de kabelmantel uit zijn
zittingen zodat de kabelmantel vrij kan verschuiven over de
stalen kabel.
De
vrije stukken kabel worden afgeveegd met een doek en daarna
ingevet.
De
kabelmantel wordt nu verschillende malen heen en weer
geschoven over de kabel zodat het vet zich ook verplaatst
naar de niet zichtbare gedeelten van de (roestvrij)stalen
kabel.
De
kabel van het achterste versnellingsapparaat wordt gelost
door, terwijl de fiets ophangt) de ketting eerst op het
kleinste tandwiel te laten lopen en dan, met de hand, de
derailleur te verduwen zodat de ketting zich op het grootste
tandwiel gaat verplaatsen. De kabelmantel kan nu gemakkelijk
uit zijn zitting worden genomen.
De
propere en droge ketting wordt gesmeerd met een goed
kettingsmeermiddel (zie boven).
Breng
voldoende smering aan langs de binnenomtrek van de ketting
(= op de bovenkant van het onderste stuk ketting). Door de
middelpuntvliedende kracht zal de olie zijn weg wel zoeken
naar de buitenomtrek van de ketting toe.
Draai
enkele toeren aan de pedalen om de olie zijn weg te laten
vinden.
Veeg
de overtollige olie af door de ketting door een, in de hand
gehouden, propere vod te laten lopen. Zo voorkomt men dat er
té veel stof en zand aan de ketting blijft kleven.
De
tandwielen dient men niet te smeren, zij ontvangen smering
van de ketting.
5. Onderhoud
+ afregelen van de versnellingsapparaten :
Schakel
wanneer je voldoende pedaalrotatie hebt. Wanneer je schakelt
op een moment dat je de pedalen met moeite rond krijgt vraag
je om problemen. Alles wordt dan extra zwaar belast zodat de
kans op schade groot is.
a.
Achterderailleur :
Met
de twee stelvijzen (High en Low) regelt men de maximum
uitslag van de achterderailleur.
Men
legt de ketting eerst op het kleinste tandwiel.
Met
een losse achterversnellingskabel (kabelmantel uit de
zitting) regelt men dan eerst de High (= hoogste versnelling
= kleinste tandwiel van achter). Men draait aan deze vijs
tot het bovenste derailleurwieltje juist onder (= in
hetzelfde vlak als) het kleinste tandwiel staat.
De
kabelmantel mag nu terug in zijn zitting geplaatst worden.
Vervolgens
legt men de ketting op het grootste tandwiel b.m.v. de
shifter.
Dan
spant men de versnellingskabel verder op (bijtrekken met de
hand) en regelt men met de Low (= laagste versnelling =
grootste tandwiel langs achter) tot het bovenste
derailleurwieltje juist onder het grootste tandwiel staat.
De
kabelspanning moet voldoende zijn. Men kan de kabelspanning
vergroten door tegenwijzerzin te draaien aan één of beide
wartels aan de uiteinden van de versnellingskabel (aan de
derailleur of aan de shifter).
Span
de kabel echter niet te veel, want dan wordt de derailleur
naar het wiel toe getrokken en wil de ketting op een groter
tandwiel springen.
b.
Voorderailleur :
Ook
daar zijn twee stelvijzen voorzien.
Een
buitenste vijs voor de regeling van de aanslag als de
ketting op het grootste tandwiel ligt en een binnenste vijs
voor de regeling van de aanslag wanneer de ketting op het
kleinste tandwiel ligt.
Eerst
legt men de ketting langs voor op het kleinste tandwiel.
Dan
neemt men de kabelspanning weg door in wijzerzin aan de
wartel ter hoogte van de shifter te draaien.
Met
de binnenste vijs regelt men nu de voorderailleur zodanig
dat hij de binnenkant (= kant van het kader) van de ketting
juist niet meer raakt wanneer de ketting langs achter op het
grootste tandwiel ligt.
De
kabel mag nu terug op spanning gebracht worden door de
wartel ter hoogte van de shifter in tegenwijzerzin te
verdraaien, doch slechts in die mate dat de derailleur niet
naar buiten opschuift.
Vervolgens
shift men tot de ketting zich vooraan op het grootste
tandwiel legt.
Dan
trekt men de kabel met de hand nog wat verder aan en regelt
men met de buitenste vijs zodanig dat de voorderailleur de
buitenkant van de ketting juist niet meer raakt wanneer de
ketting langs achter op het kleinste tandwiel ligt.
c.
Samengevat :
Eerst
de kabels smeren en vervolgens de uitersten regelen met de
stelvijzen.
Ten
slotte tussenin afregelen met de wartels (= kabelspanning
veranderen).
d.
Vervangen (smeren) van de derailleurwieltjes :
Beide
wieltjes zijn niet gelijk.
Normaal
zijn ze gemerkt zodanig dat je het bovenste (upper) en het
onderste (lower) uit elkaar kan houden.
Vergeet
de asjes (busjes) niet in te vetten vooraleer je terug gaat
monteren.
De
betere derailleurwieltjes bevatten (afgedichte)
kogellagertjes (vb TACX). Dit in tegenstelling tot de gewone
buslageringen, al dan niet keramisch.
Indien
je niet zeker bent dat je alles nog terug in elkaar zult
krijgen, wel, leg dan de gedemonteerde stukken logisch uit,
maak een schetsje of beter nog neem een digitale foto
6.
Onderhoud van de remmen :
Eerst
de remkabel smeren.
Vervolgens
controleren of beide remarmen gelijkmatig bewegen wanneer
men aan de remhendel trekt.
Indien
dit niet zo is dan kan men dit bijregelen.
Op
iedere remarm zit een regelvijsje waarmee de veerdruk,
waarmee de rem wordt opengehouden, kan worden bijgesteld.
Probeer
het probleem te verhelpen door aan 1 arm te regelen.
Wanneer
beide veren niet voldoende spannen zal de remhendel los
komen te zitten en dient men dus op beide remarmen de
veerspanning te verhogen.
Het
kan echter ook zijn dat het scharnierpunt van de remarm op
de vork smering nodig heeft.
Daarvoor
dient men de remkabel te ontkoppelen van de remarm om
vervolgens, door het inbusboutje te lossen, de remarm van de
vork af te halen.
Let
er bij de demontage én de montage op in welk gaatje de
remarmveer in de vork ingrijpt.
Na
het opkuisen (fijn schuurpapier) en invetten kan de remarm
terug op de vork worden vastgezet.
Let
er bij het vervangen van de remblokken op dat ze in de
richting én parallel met de velg worden gemonteerd.
Bij
sommige remsystemen kan het nuttig zijn om, terwijl de rem
wordt dichtgetrokken, het bevestigingspunt van de remblok
even te lossen en vervolgens terug aan te spannen. Op die
manier plaatst de remblok zich perfect t.o.v. de velg.
Wanneer
men te kampen heeft met piepende remmen kan men de
remblokken zo monteren dat ze, in de rijrichting, spits naar
elkaar toe lopen. Het is dus de bedoeling dat het voorste
puntje van de remblok de velg eerst raakt. Niet overdrijven,
een weinig naar elkaar toe zou voldoende moeten zijn om het
piepen uit de wereld te helpen. Om deze handeling te
vergemakkelijken bestaat in de handel een conisch hulpstukje
wat bij montage van de nieuwe remblokjes tussen de
remblokjes en de velg wordt gehouden zodat de blokjes
vanzelf onder de juist hoek tov de velg worden vastgezet.
Een
remsysteem waarbij de blokjes afzonderlijk kunnen worden
vervangen (de remblokhouder blijft behouden en moet niet van
de remarm worden gelost) heeft het voordeel dat men (bijna)
niet hoeft te regelen wanneer men de blokjes vervangt.
Persoonloijk
vind ik de BBB remblokjes (3-kleurig) zeer goed. Ze remmen
goed, piepen niet, gaan lang mee en slijten de wielvelg
slechts miniem in.
Wanneer
één of beide remblokken abnormaal vlug slijten, kan een
beschadiging aan de velg er de oorzaak van zijn.
Controleer
de velg op bramen of oneffenheden en werk deze zonodig weg
met fijn schuurpapier.
Wanneer
men bij de aankoop van een nieuwe fiets twijfelt aan het
soort remsysteem, weet dan dat een systeem met oliedruk veel
mogelijkheden biedt (met één remhendel beide remmen
bedienen, al of niet in een bepaalde krachtverhouding), doch
dat dit een dure aangelegenheid is en eigenlijk niet echt
nodig.
Een
systeem met schijven is dan weer enorm onderhevig aan
slijtage en de daaruit voortkomende mankementen.
7.
Speling op de balhoofdlagering (= de kopserie) wegwerken :
Oudere
fietsen zijn voorzien van een kopserie waar men de speling
bij middel van een moer en borgmoer regelt en vastzet.
Moderne
fietsen bezitten een balhoofdlagering waarbij de speling met
de stuurpenbout wordt geregeld.
Wanneer
men voelt dat er speling op de balhoofdlagering aanwezig is
(= de voorvork komt los te zitten en de fiets maakt een
trillend geluid wanneer men het voorwiel laat stuiteren) kan
men dit op volgende wijze wegwerken :
Eerst
dient men de twee boutjes, waarmee het stuur op de stuurpen
wordt vastgeklemd, te lossen.
Daarna
kan men de stuurpenbout bijdraaien tot de speling verdwenen
is, doch het stuur nog losjes heen en weer kan worden
bewogen.Wanneer de speling verdwenen is zet men de twee
boutjes terug vast.
Het
kan echter zijn dat men de balhoofdlagerspeling in de
rechtuitstand van het stuur mooi wegwerkt, doch dat het
stuur dan spant bij links en/of rechts bewegen.
Dit
is te wijten aan uitslijting van de balhoofdlagering.
Die
lagering wordt eigenlijk maar voor een klein deeltje van
haar omtrek gebruikt (= de grote van de stuuruitslag).
Het
stuur staat het meest in de rechtuitstand en dus is de
slijtage van de lagering ook het grootst in die stand.
8. Controle
op slijtage van ketting en tandwielen :
Om
een idee te krijgen van de slijtage van de ketting en de
tandwielen doet men het volgende:
Men
legt de ketting langs voor op het grootste tandwiel.
Met
de linkerhand duwt men, in de ruimte tussen de achterste en
de voorste tandwielen, het onderste en het bovenste deel van
de ketting samen.
Nu
kijkt men tegen het licht hoeveel speling er is tussen de
ketting en het grootste voorste tandwiel (men mag er
praktisch géén licht door zien) en probeert men, thv de
trapas, de ketting van dit tandwiel weg te trekken met de
rechterhand (een kleine speling is toegelaten)
Wanneer
je van oordeel bent dat er vervanging nodig is, wel vervang
dan ineens alles (tandwielen voor + achter én de ketting).
Het is immers zo dat bijna versleten zaken in combinatie met
nieuwe onderdelen, de levensduur van deze laatste sterk doen
dalen.
Opmerking
:
Kies je versnelling zodanig dat de ketting zo min
mogelijk “wringt”.
D.w.z.
dat de ketting zo recht mogelijk van de achtertandwielen
naar de
voortandwielen dient te lopen (dus niet langs
achter én langs voor op het
kleinste tandwiel bvb.).
Indien
de ketting wel wringt dan wordt het materiaal zwaarder
belast, stijgt de slijtage
en daalt bijgevolg de levensduur.
Kwek
Kwek.